Ik schoof mijn bord vooruit. Pompoen. Ik had al heel lang geen pompoen gegeten en het was lekkerder dan ik het me herinnerde. Of het kwam door het restaurant waar we zaten en het feit dat hij tegenover me zat. Het was ook al heel lang geleden dat ik uit eten was geweest en er iemand tegenover me zat. Het verbaasde me dat hij al die moeite had gedaan. In de auto, onderweg, had ik nog voorgesteld dat hij het restaurant zou afbellen en dat we wel naar de McDonalds konden gaan, maar dat had hij natuurlijk meteen weggewuifd: ‘Doe niet zo raar!’
Kortom: ik kwam er niet onderuit.

In de auto had ik geen woord gezegd. Mijn maag zat in mijn keel en mijn hart bleef maar bonzen. Die teringherrie – die voor hem doorgaat als ”muziek” – had het ritme van mijn hart niet gekalmeerd. Leuk man, house. Of hoe heet die muziek waarbij het boemboemboem gaat en er geen melodie in te herkennen is?

‘Was het lekker?’ vroeg hij en ik knikte. Had ik überhaupt wel iets gezegd die avond? Behalve mijn voorstel om naar de McDonalds te gaan, had ik me stil gehouden. Ik wilde mijn excuus aanbieden, omdat ik niets had gezegd, maar toen ik naar zijn pretoogjes keek, wist ik wel dat ik dat niet hoefde te doen.
‘Kom!’ Hij schoof zijn stoel naar achteren. ‘We moeten gaan, anders komen we te laat.’
Ik volgde zijn voorbeeld en liep naar buiten om te roken, terwijl hij bleef staan om een gesprek te voeren met de gastvrouw. Zoals hij met iedereen doet.

De eerste keer dat ik hem zag, kwam hij zomaar binnenvallen met Vriendelijke Vriend en een paar vrienden. Ik had de hele middag en avond alleen gezeten en geschreven. Zijn wervelwind aan woorden moest ik zorgvuldig aan elkaar knopen om er een lijn in te vinden. Hij stelde vragen, praatte vervolgens door, en uiteindelijk zat ik met dertig vragen die ik moest beantwoorden, maar ik wist niet waar ik moest beginnen. Ik haatte het dat Vriendelijke Vriend al die mensen had meegenomen.

De jongen schoof tegenover me aan tafel en zwiepte wild met zijn armen heen en weer, om zijn punt heel erg duidelijk te maken. Ik knikte alleen maar mee. BuscemiHeart
‘Jij bent niet zoals Vriendelijke Vriend.’ zei hij ineens. ‘Weet je zeker dat jullie familie zijn?’
Ik knikte opnieuw.
‘Maar jij bent zo…’
‘Raar.’ maakte ik zijn zin af. ‘Ze noemen me raar.’
‘Ach!’ hij sprong van zijn stoel op en liep door de kamer heen, zonder duidelijk doel. ‘Ze noemen mij ook raar.’
En bij jou hebben ze een goed punt, dacht ik.
‘Nee nee. Jij bent… anders.’
‘Anders?’ ik hoorde mijn stem neutraal zijn laatste woord herhalen. ‘Oké.’

Hij draaide zich met een zwiep om naar me. ‘Weetje! Ik moet nu weg, maar ik vind je wel gezellig. Met jou kan ik praten! Wil je mijn nummer hebben?’
Ik had geen woord gezegd. Misschien dacht hij dat we een gesprek aan het voeren waren? Ik keek even naar hem en zijn grote ogen keken terug. Ik wilde zijn nummer hebben. En ik wilde niet dat hij wegging. ‘Kom je straks nog terug?’ vroeg ik hem en hij knikte, waarop hij achter de rest aanliep naar buiten. De rest van de avond, en de weken die erop volgden, kreeg ik hem niet uit mijn hoofd.

‘Zo!’ de deur van het restaurant klapte achter hem dicht. Mijn sigaret was bijna op en ik stond te trillen van de kou. Hij sloeg een arm om me heen. ‘Wil je nu weten waar we naartoe gaan?’
‘Ja. Héél graag.’

Hij graaide in zijn jaszak, stak vervolgens een sigaret op en pakte mijn hand vast. Daarna sleurde hij me de straten over van een stad die ik niet kende.
‘Nee nee! Je zou het nu laten zien!’ riep ik uit.
‘Paar minuutjes, oké?’ Ik voelde hem zachtjes een kus op mijn wang drukken. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Straks belandde ik op één of ander technofeest en moest ik doen alsof ik het leuk vond. En doen alsof ik dankbaar was dat ik naar boemboem moest luisteren. Ik wist dat ik ergens naar moest luisteren, want dat had hij al wel gezegd: ‘Maak je geen zorgen! Je hoeft niets te doen, je hoeft alleen maar te gaan zitten en te luisteren. En niet eens naar mij, dus jeuh!’

We liepen de hoek om, waarop er een enorme schouwburg verscheen. Hij trok me naar zich toe. 
‘Spinvis.’ fluisterde hij.
‘Niet!’ Ik slikte. ‘Geen boemboem, meneer de dj?’
‘Nope.’ begon hij te lachen. ‘Het is jouw avond.’

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.