Als ik mijn ogen open, zie ik twee donkerbruine oogjes terug staren. Hij is al een tijdje wakker, dat zie ik meteen. Maar zijn ogen zijn nog klein, van de donkere slaapkamer waarin we liggen. Ik slik moeizaam. Mijn mond voelt alsof ik hem de hele nacht open heb laten hangen. Ik tast zo onopvallend mogelijk met mijn hand op mijn kussensloop, in de zoektocht naar kwijlsporen, maar het is droog. Misschien lig ik er wel in met mijn haar. Dat zou nog erger zijn. Ik stel me voor dat ik op een gegeven moment mijn hoofd van mijn kussen moet tillen en er één pluk haar volledig aan elkaar geplakt zit. Knetterhard van mijn nachtelijke gekwijl. Of erger nog: aan mijn wang geplakt. Ik vind niet dat hij dat nu al mag zien.

‘Goedemorgen schoonheid. Wil je wat drinken?’
Zie je wel. Hij ziet ook dat ik al mijn speeksel eruit heb gekwijld en nu een droge mond heb. Misschien zit het wel om mijn mond en heb ik nu van die witte, harde strepen over mijn wang lopen. Jezus. Zelfs als ik slaap kan ik me niet gedragen.
‘Hmm..’ mompel ik terwijl ik me omdraai. Met mijn rug naar hem toe. Mijn mascara zit ook over mijn wang. Dat kan niet anders. Ik ben een kwijlende panda. Ik weet het zeker.
Ik begin met een vinger onder mijn ooglid te wrijven, in de hoop dat ik het grootste gedeelte weg kan poetsen, maar ineens realiseer ik me dat ik helemaal geen make up droeg de avond daarvoor. Dat is al een zorg minder. panda-311376_640

Ik voel zijn arm om mijn middel en hij trekt me in een ruk naar zich toe. Nu lig ik tussen twee matrassen in. In die gleuf. De gleuf die ik in de zomer altijd fijn vind, omdat ik mijn been erin kan stoppen. Net onder de deken vandaan. Maar het blijkt in de winter een stuk minder aangenaam te zijn, vooral als de helft van je lichaam erin verdwijnt. Ik voel een houten balk mijn zijkant verkoelen.
‘Hmm.’ zeg ik nogmaals. Dit keer geërgerd, waarop hij me met één arm optilt en op zijn matras neerlegt. Dit is het moment. Ik moet me uitrekken, omdraaien en mijn kwijlsporen voor lief nemen.

Langzaam strek ik mijn armen voor me uit, waarop ik een klein beetje kreun. Het is nog veel te vroeg. Waarom is het altijd veel te vroeg als ik naast hem wakker word?
‘Aah schat!’ Hij slaat ook zijn andere arm om me heen. Een grote arm. Aan één arm heb ik al genoeg als ik wil knuffelen. Laat staan twee. Ik kan zo in hem verdwijnen en dat doe ik nu ook maar.

Ik kom mijn kwijlspoor-angst onder ogen en draai me om. Even leun ik op zijn borst en daarna verplaats ik me weer naar mijn eigen matras. Één arm van hem neem ik mee. Eentje is genoeg om vast te houden. Ik klamp me eraan vast, terwijl hij de haren uit mijn gezicht strijkt.
‘Heb je dorst?’ vraagt hij nogmaals en ik knik tevreden. Die arm. Die ene arm is genoeg. Als hij me ooit dumpt, dan hak ik zijn arm af, zodat ik daar nog mee kan knuffelen. Zijn arm is groot. Daar kan ik me wel mee redden als hij ooit ineens verdwijnt, wat niet geheel onwaarschijnlijk lijkt: wat moet deze man in hemelsnaam met iemand als ik?

Als hij drinken wil halen, pak ik zijn arm nog iets steviger vast. Hij begint te lachen: ‘Dan moet je me wel even loslaten hé?’

Ik schud mijn hoofd en krijg als beloning nog een kus op mijn voorhoofd, waarop hij subtiel zijn arm terugeist.
‘Nee!’ Een slaperige schreeuw. Eentje zonder energie, maar dwingend genoeg om hem nog een paar seconden bij me te houden, voordat hij uit bed stapt.tumblr_inline_nefctoRyph1shyoil

Even later komt hij terug met twee enorme glazen drinken. Ik hijs mezelf overeind en pak het grote glas dankbaar met twee handen aan. Mijn handen passen er bijna niet omheen. Ik voel me een klein kind dat voor het eerst zonder rietje mag drinken.

Ik heb net mijn eerste slok gehad als ik naar hem opkijk en opnieuw zijn bruine ogen zie. Dit keer zijn ze groot. ‘Lieverd!’ schreeuwt hij uit, waarop hij op me af duikt. ‘Jij bent echt zó schattig!’ ik voel zijn lippen ruw op die van mij.
‘Wat?’
‘Echt álles wat jij doet is schattig. Hoe je je uitrekt. Je geluidjes. Hoe je drinkt. Alles!’
Ik voel mijn wenkbrauw omhoog trekken.
‘Zelfs dat!’ hij wijst naar mijn wenkbrauw. ‘Jouw lieve gezichtje. Ik vind alles schattig aan jou.’

Ik wil net weer een slok nemen als hij luid in zijn handen klapt, alsof hij net het licht heeft gezien. ‘Ja! Jij bent mijn puppy!’

Ik begin te lachen en geef hem een kus. Hoe hij elke keer op zulk soort uitspraken komt, blijft me een raadsel. Tevreden kijk ik hem aan. Hij denkt dat ik verliefd ben, en dat ben ik ook, maar ik ben vooral heel erg opgelucht dat ik een puppy ben. Want als puppy’s kwijlen, dan is dat heel erg aandoenlijk.  

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.