Het is dinsdagavond. Het regent zoals het dat alleen op dinsdagen doet. Van die druilerige, zeikerige regen. Ik ben onderweg naar het station.

Daar zit je. Op een bankje. Je hoofd in je handen. Ik heb je al zo lang niet gezien, maar ik herken je in een halve seconde. Ik ben waarschijnlijk de laatste persoon die je nu wil zien.

Ik heb me vaak genoeg afgevraagd wat je zou zeggen als je mij weer zou zien… Ik heb het scenario al honderd keer afgespeeld in mijn hoofd, de dialogen liggen klaar. Maar ergens weet ik ook wel dat echte mensen zich nooit aan een script willen houden.

Even twijfel ik of ik wel goed heb gekeken, maar als ik dichterbij kom, zie ik dat jij het echt bent. Voor ik me kan bedenken kijk je op.
‘Hoi,’ zeg ik. Hoi. Na alles, na al die tijd zeg ik hoi. Ik heb meteen spijt.
‘Hoi,’ zeg je. Je wenkbrauwen gaan even omhoog, en de ellende maakt plaats voor een beleefde glimlach.
‘Gaat het… oke?’ vraag ik.

‘Jawel, hoor. Ik heb net mijn laatste trein gemist en ik moet morgenochtend werken. Beetje lastig.’
Mijn gedachten ratelen langs alle opties. Ik heb geen auto. Ik heb ook geen trein. Ik heb wel…
‘Je kunt mijn fiets wel lenen…’ mompel ik. Eigenlijk kun je mijn fiets helemaal niet lenen. Ik heb hem zelf nodig, elke dag. Maar een golf van schuldgevoel overspoelt me, alsof die zich heeft opgestapeld in al die tijd dat ik het wegstopte. In één klap voelt het weer alsof het gisteren was dat ik verdween en jou achterliet zonder enige uitleg. Ik besef me met een schok hoe erg je me wel niet moet haten. Ik droom nog steeds wel eens over je, en in mijn dromen ben je altijd heel kwaad.

Je schudt met een ongemakkelijke glimlach je hoofd.
‘Een bus! Misschien gaat er nog een Bobbus!’ probeer ik.
‘Niet naar waar ik heen moet.’ zucht je.
Ik ben door mijn opties heen. Ik ben nutteloos. ‘En nu?’
‘Ik bel zo even een collega hier in de buurt. Misschien dat ik daar kan crashen en dan morgen de eerste trein nemen.’
‘Aha.’ De stilte stampt op mijn maag. Ik moet wat zeggen. Maar ik heb je al zo lang niet gezien, ik weet niet eens wat je tegenwoordig doet. ‘Hoe gaat het verder?’ probeer ik.
‘Wel oké. Studie afgemaakt, en dus net aangenomen bij de universiteit. Dat is wel leuk werk, maar goed… Dan moet ik dus niet de laatste trein missen, waardoor ik een uur te laat kom morgen.’
‘Juist…’
‘En met jou?’
‘Tja, ik werk nog steeds bij de supermarkt. De kinderen worden snel groot…’

Het voelt zo raar om te doen alsof er niks aan de hand is. Ik wil dingen uitpraten, goedmaken. Ook al ben ik veel te laat.
Weer valt het stil. Ik moet hier weg. ‘Ik moet eh…’ mompel ik.
‘Ja, nee, het is laat, joh. Ga gauw naar huis!’ zeg je met diezelfde beleefde glimlach.
‘Ja… Ik ga gauw. Goed je te zien.’
‘Hetzelfde. Fijne avond nog!’
Ik maak me uit de voeten, maar de weg naar het station voelde nog nooit zo lang.

Daar zit je. Op een bankje. Je hoofd in je handen. Ik heb je al zo lang niet gezien, maar ik herken je in een halve seconde. Ik ben waarschijnlijk de laatste persoon die je nu wil zien.
Ik draai me om, en loop de andere kant op.

Over de auteur

Koopt alleen blauwe dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.