Twee dagen terug had ik een openbaring: ik moet stoppen met roken. Zulke openbaringen heb ik meestal nadat ik een avond iets te lang ben doorgegaan en de nacht voornemens ben mijn leven te beteren. Dat duurt dan meestal niet langer dan twee dagen. Deze keer was dat niet anders.

Toch had ik wel meer motivatie dan normaal. Want het moet toch godverdomme eens afgelopen zijn met dat roken, en drinken en niet sporten en maar gewoon eten wat ik wil eten?

Nou nee. Mijn openbaring kwam tegelijkertijd met een boek over bijna-dood ervaringen. Het was een boek met een titel waar iedereen voor zou vallen. Iets in de trant van: Dit Is Wat Mensen Zagen Toen Ze Even Dood Waren.
Het spreekt mij, als ongelovige, natuurlijk aan omdat ik niet verwacht dat er een bebaarde meneer een poort voor me open zal doen. Net als dat ik niet verwacht op een nieuwe wereld terecht te komen, te reïncarneren, schaak te kunnen spelen met Magere Hein of ergens te belanden waar mensen de hele dag blij zijn.

Toch kan (wil!) ik niet geloven dat als je dood bent, het maar gewoon ophoudt.

Dat vind ik een bedroevende gedachte, omdat ik het leven op aarde al vrij zinloos inschat. Als er daarna ook niet eens wat is: waar doen we het dan voor? Zijn we allemaal geboren om te sterven?

Het antwoord is ja. Volgens dat boekje. Ik had gehoopt op mensen die een fantastische ervaring hadden gehad. Of een tunnel wat mij betreft. Een flitsend licht, wat kan mij het bommen. Maar niet… Niks. En toch zeiden ze het stuk voor stuk.

”Ineens was alles weg.”
”Ik bestond niet meer. Klaar”
”Het was gewoon zwart.”
”Nee, er was niks. Gewoon. Niks. Zwart. Alles was weg.”

Godverdomme, dat hebben wij weer.

Zitten we ons het hele leven door allemaal drama en ellende heen te werken, en dan krijgen we dit als dank. We werken aan onszelf. We werken aan onze relaties. We werken aan alles, aan herinneringen en nageslacht, om vervolgens in het niets te eindigen. Geen gevoel. Geen God. Geen paradijs. Gewoon een zwart hol zonder een konijn dat te laat is, of een kamer die op de kop zit. Niks. Helemaal niks.

Eigenlijk wilde ik huilen na dat boekje. In voelde me in de maling genomen. Wie geeft zijn boek nou zo’n titel als de conclusie is dat we allemaal nutteloze wezens zijn die in de grond zullen wegrotten en tien jaar later geruimd worden voor een nieuwe die in de grond kan wegrotten?

Sommige mensen zien een persoonlijk doel in hun leven. Ze willen ervaringen, geld of wat dan ook maar voor ze telt. Ik zie dat niet zo. Ik had gehoopt dat ik, na dit alles, mezelf kon inchecken in een paradijs, waar ik iedereen die ik zou missen, weer zou zien. Zonder angsten, zonder twijfels, omdat je hopelijk maar één keer dood kunt gaan en het daarna allemaal beter wordt. En nu moet ik het doen met een zwart gat.

Je kunt tegen de dood vechten, het proberen uit te stellen, maar het gaat toch gebeuren. Misschien vroeg, misschien laat. En dan moet je toch vooral doen wat jij wilt doen? Dan moet je jezelf niet in de weg zitten met het laten van dingen die je eigenlijk niet wil laten.

Ik ga dood, net als iedereen.

Ik kan het proberen uit te stellen, maar het feit blijft dat ik uiteindelijk in een zwart gat val waar ik nooit meer uit zal komen. En hoe veel mensen van mijn leeftijd gaan er niet dood door een ongeluk, of een ”uitzonderlijk” geval? Het maakt niet uit hoe je leeft. Net als dat het niet uitmaakt wat je verdient: uiteindelijk verdwijnen we allemaal in het zwarte gat, en dat is dat.

Mijn moeder is een agnostische atheïst die nooit heeft getwijfeld over wat er is na de dood. ‘Ik ben dan gewoon weg.’ zegt ze. ‘Er is niks, en wat maakt dat nou uit? Daar kun je je druk om maken, maar je voelt toch niks meer.’

Ergens vond ik die uitspraak leuk, tot het de waarheid bleek te zijn. Ik moet op zoek naar een nieuw boekje. Eentje dat me zal vertellen dat er engeltjes op me wachten, en ik elke dag over een eetbare regenboog mag glijden als ik dood ben.

Kan iemand me iets aanbevelen?

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.