Tegenwoordig fiets ik bijna elke donderdag minstens een uur. Zulke einden fiets ik natuurlijk niet voor de lol. Ik snap niet dat mensen het leuk vinden om hun kruizen beurs te maken op zoiets oncomfortabels als een fietszadel. Dat ze dan hun broodtrommeltjes in de fietstassen doen en met een kaart op weg gaan. Niet met een bestemming, maar met een ‘route’. En aan het einde zijn ze weer terug waar ze begonnen. Echt. Wat?!

Nee, fietsen doe ik alleen omdat ik een nog grotere hekel heb aan het openbaar vervoer. Dat gevoel is wederzijds: het openbaar vervoer haat mij ook. En dat is geen enkel probleem, zolang we elkaar ontwijken. Dus daar ging ik, op mijn fiets. Zonder broodtrommeltje en met bestemming.

Ik was op weg naar een vriendin. Die vriendin, laten we haar Janneke noemen, helpt me met opruimen. Janneke heeft een kamertje speciaal voor mij, waar we praten en thee drinken. Goed, ik betaal ervoor en ze heeft verschillende opruim-opleidingen gedaan, maar de sfeer is er heel anders dan bij de psychologen waar ik ben geweest.

Psychologen, ja.

Mocht je het gemist hebben in mijn superuitbundige, gezellige, vrolijke, optimistische artikelen: het worried-girl-413690_640gaat niet zo goed met mij. Ik durf nog niet helemaal te zeggen dat ik een depressie heb, maar het lijkt erop. De symptomen zijn er: Ik voel me lusteloos, waardeloos, verdrietig en ik kan niet zo goed meer genieten van dingen die ik anders altijd heel leuk vond. Of dat is omdat ik nog moet opruimen, of omdat er echt iets aan de hand is (bijvoorbeeld iets met mijn hormonen), dat weet ik niet. Dat moet ik uitzoeken, en Janneke helpt.

Het is ergens wel fijn dat ze helemaal in Leiden woont. Want onderweg heb ik dus ook al wat tijd om even niks anders te doen dan denken. Nadenken, conclusies trekken, en dan hopen dat mijn emoties mee gaan in de logica van mijn denkproces.

Een depressie is eigenlijk een vreemde ziekte.

nepalese kindjesIk moet denken aan de Nepalezen die Ben tijdens zijn reizen op de foto heeft gezet. Ze hebben niks, en toch stralen ze. Ze slapen met zes kindjes onder een golfplaat, maar ze zijn gelukkig. Wat dat betreft zijn we hier in het Westen nog geen steek verder: toen we de problemen aan de buitenkant (armoede, ziekte, slechte hygiëne) hadden opgelost, verplaatsten ze zich naar binnen toe. Ons mankeert vrijwel niks, maar altijd wel wat.

Op dat moment fiets ik door een villawijk. Huizen met namen. Ik heb nooit begrepen waar mensen objecten namen geven. Zoals boten. Waarom zou je een boot een naam geven? Ik vind het al moeilijk om mijn konijn een naam te geven. Want een konijn is gewoon een konijn. Hij komt niet naar me toe als ik hem roep, en hij hoeft zich nooit voor te stellen. En een huis doet dat ook niet.

Daar staat hij: een prachtig wit huis met rieten dak, omringd door een keurig geknipt gazon. Twee auto’s op de oprit die samen duurder zijn dan alles wat ik heb bij elkaar. Van achter de ramen glinstert het van de dure meubels en een perfect huishouden, dat waarschijnlijk door iemand anders wordt gedaan. Met sierlijke letters staat er op de gevel van het huis: “‘T is altijd wat“. Ik lach hardop.

Ja, het is altijd wat.

Wil je net vertrekken naar het gala, blijkt dat de vriendin van je zakenpartner dezelfde Chanel aan heeft. Komt net die rijke investeerder met zijn vrouw bij je dineren, heeft je pony op je oprit gepoept. Begon je net te wennen aan je Mercedes, zitten de asbakjes alweer vol. ‘T is ook altijd wat.

Ik rij voorbij en stop met lachen. Op mijn electrische fiets, als moeder van twee lieve, gezonde kinderen. Vrouw van een man met oneindig veel geduld en onvoorwaardelijke liefde. Op weg naar een professional omdat ik doodongelukkig ben.

‘T is altijd wat.

silhouette-683751_640

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.