Ik zie de laatste tijd heel veel piemels. Een rare zin, ik weet het, maar het is toch echt zo. Ik merk dat ik er last van begin te krijgen. Een hetero jongen hoeft niet zoveel piemels te zien in zijn leven. Zelfs mijn schrijfwerk lijdt eronder: elke keer als ik een pen op papier zet schrijf ik al snel over piemels.

Soms teken ik zelfs een piemeltje in de kantlijn.

Het komt door mijn werk, denk ik. Ik werk sinds een half jaar in een sportschool. Het is een prima baantje, niet echt iets speciaals, ook niet iets waar ik carrière in wil gaan maken. Het heeft zijn voordelen en zijn nadelen. Elke dag word ik omringd door strakke (en niet zo strakke) lichamen, gehuld in nog strakkere pakjes. Iedereen is er om de andere sekse te imponeren en te sporten (natuurlijk). Gelukkig kan ik de inzet van de dames nog wel waarderen, maar ik weet genoeg om vooral mijn ogen voor me te houden en probeer ze zo min mogelijk te laten vallen op de willekeurige bil of tiet die voorbij komt.

Bij mijn eigen sekse vind ik dat toch moeilijker. Dat is vooral als ik de herenkleedkamer inloop. De mannenkleedkamer is een raar fenomeen, iets wat raarder wordt naarmate de leeftijd van de mensen in de kleedkamer stijgt. Als er jonge mensen in de kleedkamer staan, hoor je niets. Als iedereen boven de veertig is, hoor je alleen maar gepraat en kabaal. De kleedkamer verandert in een kroeg, waar de douchedampen dienen als neppe sigarettenrook. Er wordt gepraat, gelachen en op schouders geslagen. Groepen mannen staan bij elkaar en vertellen verhalen. Spiernaakt zijn ze allemaal. Geen streepje stof te bekennen.

Kijk, ik heb genoeg naakte vrouwen gezien. Dat is niet om te pochen, dat is gewoon zo. Maar ik heb nooit veel naakte mannen gezien. Hoewel ik vroeger heb gevoetbald, ben ik daar op mijn veertiende mee gestopt. En ik ben pas regelmatig gaan sporten op mijn tweeëntwintigste. Op de middelbare school douchten we nooit, of we douchten en hielden onze onderbroek aan. Ik heb dus nooit veel piemels gezien in mijn jonge leven. Daarnaast ben ik best een aardige jongen. Al die mannen in de sportschool vinden dat ook, gelukkig. Ik maak veel praatjes met de mensen daar en dat vind ik allemaal niet erg. Zeker niet als ze hun kleding aanhebben. Maar die oude mannen voelen niet dezelfde schaamte als ik wanneer ze in een kleedkamer staan. En ook ik word meegenomen in het feestgeruis:

‘Hey, jungske!’ schalt het dan, ‘hoe gaat het?’
Ik heb net de eerste stap gezet in de kleedkamer. De kerel schreeuwt hard genoeg om ook voor mij hoorbaar te zijn, dus ik kan niet ontsnappen. Ik draai me om. Het is Gerry, een van de vaste sporters bij de sportschool: een ietwat bredere, oude kerel met een imposante bierbuik, die met gewichten gooit en ouwehoert met iedereen die langsloopt. We praten regelmatig, dus ik vind dat ik wel iets moet terugzeggen. Even snel iets, en dan verder naar de douches. Zoveel mogelijk naar voren kijken. Dat moet lukken, denk ik. Gerry is naakt. Ik probeer niet naar zijn piemel te kijken.
‘Goed, Gerry. Met jou?’
‘Ja, goed hé! Het zit er weer op. Pondjes er weer vanaf! Hahahaha!’ Hij slaat op zijn buik. Gerry, zoals veel mensen, heeft altijd de neiging om het overduidelijke nog een keer te vertellen.
‘Ja, Gerry. Dat zie ik. Goed gesport?’
Gerry is een verteller. Gerry vertelt maar al te graag over van alles en nog wat en dan vooral over zijn sport. Sporten is voor Gerry heel wat, naast praten dan, en hij begint een verhaal over al zijn reps en sets en kilo’s en zus en zo, en blah en blah en blah.

Ik voel mijn aandacht verslappen… en langzaam mijn ogen naar beneden glijden. En ik zie het. Ik zie het alweer. En het beeld brandt zich in mijn geheugen.

Het was een klein, vlezig, dik object met een ader aan de rechterkant die me gemeen leek aan te kijken. Het ding wilde ontsnappen, zo leek het: ontsnappen uit het vreselijke geheel waar het deel van was. De balzak, samen met de piemel, werd omringd door grijs schaamhaar dat al meerdere weken (of maanden, of jaren) niet meer was bijgehouden. Zijn imposante bierbuik leunde erop, en leek het geheel langzaam te vermorzelen onder zijn gewicht.

Jongens, ik kan het gewoonweg niet meer aan. Dit gebeurt me dus niet één, of twee of drie keer op dag, maar vaker. Overal zie ik piemels, met allemaal gezichten erbij die ik er ook nog bij moet onthouden. Ik begin een onderscheidings systeem te ontwikkelen in mijn hoofd dat alleen bestaat uit piemels en gezichten: Gerry heeft die piemel…bij Bram hangt die genotsknots…Sam heeft die slagroomtoeter… dun, dik, kort, lang, vies dik lelijk – alles komt door elkaar en ik kan niet meer onderscheiden wie nou wat is.

Ik moet ander werk gaan zoeken. Ja! Natuurlijk! Dat is het. Ik moet gewoon weg uit die domme sportschool, weg uit de hele fitnessbranche. Ik moet weer één met de sportgangers worden en rustig mezelf kunnen omkleden in de kleedkamer zonder dat iemand tegen me aan begint te lullen. Niet al die gesprekken met mensen en piemels in een rokerige kleedkamer, maar met mijn ogen naar de vloer gericht, zoals elk normaal mens dat zou moeten doen. Een kantoor lijkt me wel wat. Een kantoor met mensen in pakken en een stuk stof dat mijn ogen blokkeert van alles wat daaronder speelt. Oh, wat een fijne wereld zou dat zijn! Weet je: ik ga gewoon iets doen met mijn studie. Ik heb toch Psychologie gestudeerd, waarom doe ik daar niks mee. Het papiertje ligt nu toch stof te happen in de kast. Dan kan ik er maar beter iets mee doen, toch? Ja, psycholoog – dat lijkt me wel wat.

Ik begin vandaag al met zoeken.

 

Over de auteur

Een cynische etter met een marginaal gevoel voor humor en literair talent. Houdt van honden, heeft een kat.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.