Ik zit in de trein naar Amsterdam. Het is nog vroeg, een uurtje of 8, denk ik, op een frisse zaterdagochtend. De coupé is haast leeg; naast mij zitten er nog een paar andere mensen, afgeleid in hun eigen wereld. Het enige geluid wat de stilte van de coupé vult zijn de wielen die knarsen op het spoor en het rumoer van een trein die me door de vroege ochtend heen trekt.

Ik zie een meisje voor me zitten. Niet direct voor mij, maar een paar stoelen daarachter, aan het eind van de coupé. Ze heeft een licht zomerjurkje aan, met een fel bloemenpatroon eroverheen geschilderd, wat verder benadrukt wordt door de saaie jaren ’70 print van de stoel waar ze op zit. Het is een zomeroutfit, geschikt voor de zonnige middag die eraan komt, een outfit waardoor ik meteen spijt heb van de dikke winterjas die ik vanochtend heb aangetrokken. Ze ziet me niet. Ze kijkt naar buiten, het landschap in, waar inmiddels de koude ochtend voorzichtig begint plaats te maken voor een drukkende, warme zaterdagmiddag.

Ze is mooi.

Niet op een perfecte manier, eentje die je alleen maar op een cover van een tijdschrift kan zien, maar mooi hoe alleen echte vrouwen zijn in het echte leven – een meisje dat perfect wordt door haar imperfectie. Haar bruine gezicht, omlijst door donkere krullen, wordt omhooggehouden door een donker lichaam dat niet helemaal door de stof van haar zomerjurk wordt bedekt. Waarschijnlijk is ze net op vakantie geweest, naar een gebied waar ik zelf nog nooit ben geweest, maar altijd naartoe heb willen gaan.

Ik kijk naar haar, zij kijkt het landschap in.

Ze ziet de rijen bomen voorbij flitsen door de toenemende snelheid van de trein, keurig neergezet in een typisch Nederlands landschap dat alleen wordt onderbroken door een huis, een dorp of een kleine stad. Haar telefoon laat een zacht, prangend geluid horen. Ze kijkt naar beneden, ontgrendelt haar telefoon en laat haar glimlach zien, net zo fel wit als haar zomerjurk, en begint een berichtje te typen, naar iemand die ik nooit heb ontmoet, nooit zal tegenkomen en waarschijnlijk liever niet zal willen kennen.
Even denk ik erover om die kleine vijf stappen te overbruggen en naar haar toe te lopen, maar ik blijf zitten. Ik blijf zitten en in mijn hoofd begint er een scenario te spelen, waarin elk alternatief zijn eigen perfecte einde heeft, waar een bepaald geluk bestaat dat je alleen in je eigen gedachten kan ervaren. Een geluk en een toekomst waardoor ik jaren in een kleine, wereldse utopie zou kunnen leven, niet in mijn eentje, maar met zijn tweeën – ons tweeën.

Ik kijk hoe ze het klepje van haar Iphone dichtgooit en snel de coupé rondkijkt – een klein moment kruisen onze blikken, voordat ik mijn gezicht laat dalen naar mijn boek. De cijfers 1984 van George Orwell kijken me aan, maar ik probeer niet verder te lezen. Ik blijf wachten, net lang genoeg, denk ik, om de spanning van onze korte ontmoeting weer te laten zinken. Aangezien het boek me niet helpt, kijk ik maar naar buiten. We rijden inmiddels langs een brede rivier, met aan beide zijden grote bomen, waar grote en kleine schepen over het water varen.

Ik zie een ander meisje zitten. Haar reflectie is duidelijk zichtbaar in het raam van de trein. Ze luistert muziek op haar te grote koptelefoon, hard genoeg om te horen, maar te zacht om het duidelijk te kunnen verstaan. Ze draagt een shirt van Nirvana: de gele smiley staat prominent gedrukt op een zwarte achtergrond, haar blonden haren hangen haast rebels voor haar ogen. Ze kijkt haast verveeld naar buiten.

Ik kijk naar haar, zij kijkt het landschap in.

Een scenario is inmiddels in mijn hoofd gaan spelen, en elk alternatief heeft hetzelfde perfecte einde, waar een bepaald geluk in voorkomt dat je alleen maar in je eigen gedachten kan ervaren. Een geluk en een toekomst waardoor ik jaren in een kleine, wereldse utopie zou kunnen leven, niet in mijn eentje, maar met zijn tweeën.

De trein rijdt verder, op weg naar Amsterdam, het zonnige landschap in.

Ik kijk niet naar buiten, maar naar haar.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.