Kamperen verandert je. Daar doe je niets aan.

Buienradar heb je na dag twee niet meer nodig. Je zit middenin het weer. Al ver van tevoren wordt het een beetje donkerder. Daarna daalt de temperatuur en wordt de lucht drukkend, alsof je de regendruppels al voelt prikken. Dan gaat het tentdoek zachtjes klapperen en net als je denkt ‘Oh, de handdoeken liggen nog buiten,’ begint de regen te vallen.

In een tent zitten met regen is een ervaring apart. Het geluid komt van alle kanten en het voelt alsof je er helemaal mee omsloten wordt. Toch kun je makkelijk blijven praten, maar om de één of andere reden doe je dat automatisch zachter, alsof je bij een concert bent en de rest van de luisteraars niet wil storen.

Het geluid is wel één van de eerste dingen waar ik aan wen. De voorbijgangers waar je ieder woord van opvangt, kinderen die tot laat in de avond rondrennen en schreeuwen, en ‘s avonds het gelach. Dat buldert plotseling op en ebt weer weg met degene die het grapje als laatste begreep, en dan is het weer stil. Dan ineens rolt het geluid weer over de camping, als een soort branding die je hoort. In het begin stoor je je aan zoveel geluid, maar als je na de vakantie weer thuis komt, lig je wakker van de stilte.

Maar waar ik het meest moeite mee heb zijn de beesten. Overal. Beesten. Ik ben normaal al niet zo’n fan van dingen met meer dan vier poten, zeker niet als ze in mijn huis zitten. Maar nu ik in feite in hun huis zit, heb ik er niets over te zeggen. Ik hou mijn handen en vliegenmeppers thuis, maar ondertussen word ik om de oren geslagen met clichés als: ‘Hij is banger voor jou dan…’ En dat kan ik na een tijdje best accepteren. Dit vergt een mentale omschakeling, maar het lukt me wel. Ik moet wel. Anders ren ik na twee dagen met mijn knieën in mijn neus de tent uit onder het gegil van ‘Ieuw, ieuw, ieuw!’. En dat zou niet best zijn voor mijn imago.

Zo snel mogelijk accepteer ik dus dat ik mijn slaapkamer nu deel met een tor. In het hoekje boven mij kruipt een spin en dat is oké. En in week twee knik ik vanaf de wc vriendelijk naar de rups die daar verwonderd op het vuilniszakje kauwt.

Maar na een tijdje komt mijn ware aard weer naar boven. Mieren en muggen kan ik verdragen, maar als er een killerwesp mijn slaapkamer blijkt te kunnen binnendringen, is de mijn grens bereikt. Dan slaap ik ook niet meer, en ik schrik wakker bij elk kriebeltje. En dat zijn er ineens heel veel als je heel hard probeert om niet aan insecten te denken.

De beesten mis ik niet als ik thuis ben. Kennelijk misten ze mij wel, want ze komen me opzoeken. Zessendertig mieren doen de polonaise over mijn aanrecht. Op zoek naar míjn hagelslag en míjn limonade. Maar het is klaar. De vakantie is voorbij en ik ga niet wachten tot ze zich allemaal hebben bedacht dat de wasbak niet de beste plek is voor een dier dat niet zwemt.

Kamperen verandert je, maar wel slechts tijdelijk. Dag mier, geniet van je vakantie aan zee.

Over de auteur

Koopt alleen blauwe dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.