De laatste tijd haal ik koffie bij de Albert Heijn. Vorige keer zei iemand iets tegen mij.

‘Hoi, jongeman.’


Ik draaide me om met het kopje in mijn hand. De warme koffie straalde door het bekertje heen. Het was een oude dame, met geelgrijs haar, dat net zo vaal was als de bloemenjurk die ze droeg. Ze zat alleen op het bankje in de Albert Heijn, naast haar was er nog een plek vrij.

‘Wil je naast me komen zitten?’

Het was geen bevel, maar eerder een vraag waar je geen nee op kon zeggen. Langzaam ging ik naast haar zitten. Ze rook naar tabak, oude vrouwen ruik en de zoete parfum van een luchtje dat allang niet meer populair was. Op haar lippen was een zachte dons snor te zien.

‘Ik vind het zo fijn om hier een kopje koffie te drinken. Tilburg zie ik hier, terwijl ik hier rustig op dit bankje zit. Langzaam gaat de wereld langs me heen.’

Ze maakte een klein cirkeltje met haar hand.

‘Soms praat ik met mensen, maar soms ook niet. Gisteren heb ik nog urenlang met een azielzoeker zitten praten. Fantastisch vond ik dat! Het was een van de meest fijne gesprekken van mijn leven.

Ik nam een slokje van mijn koffie, terwijl ze door bleef praten.

‘Zelf heb ik niemand meer.’ Ze keek verdrietig naar beneden. ‘Mijn vader, moeder en man zijn dood. Allemaal aan de kanker. Verschrikkelijke ziekte is het. Zonen of dochters heb ik niet. Alleen ik ben nog over. Iedereen zal me vergeten.’’

Haar ogen boorde zich in de mijne.

“Zal je mij ook vergeten?’

Ik durfde het niet te zeggen.

 

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.