Ik ben best wel assertief, vind ik zelf. Vooral als je bedenkt dat ik sociaal erg onhandig ben. Ik kan nog geen pakje sigaretten halen, maar voor mezelf opkomen lukt me best aardig. Ik kan heel goed zeggen wat ik wel en niet wil en als ik iets vind dan zal ik dat ook zeggen.

Als mensen niet assertief zijn, dan zijn ze vaak passief (subassertief, officieel) of juist erg agressief. Ik denk dat heel veel mensen die aan de telefoon iets proberen te verkopen vooral met de agressieve groep geconfronteerd worden. Dat zijn van die types die meteen hun poot stijf houden en hun stem verheffen of gewoon gemeen zijn. Zo’n type ben ik niet. Subassertieve mensen zijn mensen als Esther: als je haar vertelt dat ze twintig dozen champignons moet kopen die over de datum zijn, omdat ze daarmee kinderen in Brazilië helpt, dan zal ze dat doen. Ze zal het niet leuk vinden, maar een ”nee” krijg je niet uit haar. En de rest van de dag moet ze dan allemaal instanties bellen om ervoor te zorgen dat ze die twintig dozen met champignons niet krijgt. Als ze ophangt, is ze niet twintig, maar veertig dozen champignons rijker en lid geworden van de stichting ‘Champignons voor Straatkinderen’.

Dat probleem heb ik ook niet. Mijn probleem is mijn assertiviteit die in deze tijd (hoor oma praten) niet meer serieus genomen wordt. Toen ik het de eerste keer doorkreeg, was het opvallend. De keren daarna werd het interessant en nu ik een aantal jaren verder ben is het vooral één van mijn grootste ergernissen geworden.

Voorbeeld: 

”Wilt u een stukje proeven?”
”Nee bedankt.”
”Neem het toch maar aan, u kunt iemand anders wellicht blij maken hiermee.”

Ja, mevrouw die blokjes graskaas in de supermarkt weggeeft. Ik denk inderdaad dat mijn huisgenoot ontzettend blij wordt als ik een stuk kaas meer dan een half uur in mijn hand houd en het vervolgens op zijn bureau leg: ‘Alsjeblieft Vriendelijke Vriend. Hier heb je een stuk kaas dat is gaan zweten. Nee, je hoeft me niet te bedanken. Zulke dingen doe ik graag voor je.’ hearing-41428_640

Nu is dit ergens nog wel te doen. Goed, de kaasverkoopmevrouw (jemig, dat is gewoon een woord, ik krijg helemaal geen rood golfje eronder) had het niet helemaal op een rij. Dat geeft niet en ze moet toch van haar kaas af.

Het wordt vervelender wanneer de situaties persoonlijker worden. Zo wilde UPC bij me binnenkomen omdat ik uitleg nodig had over het nieuwe aanbod aan zenders dat ik kon krijgen vanaf de maand daarop. Toen ik vriendelijk bedankte, uitlegde dat ik nooit tv keek en daarnaast over twee dagen zou gaan verhuizen, kreeg ik opnieuw de ratel over nieuwe zenders te horen. Ik legde nogmaals uit dat het voor mij geen enkel nut had, omdat ik twee dagen later zou verhuizen. De uitlegmeneer (geen woord, rood golfje) brabbelde via de intercom: ‘Oke, mevrouw mocht u zich bedenken, dan ligt er een foldertje in uw brievenbus met meer informatie.’

Op zulke momenten twijfel ik even of ik wel echt besta

Had de man niet geluisterd? Was ik niet duidelijk genoeg geweest? Ik kon mijn vinger er niet opleggen wat het nou precies was.

Een tijdje later (twee dagen om precies te zijn) kwam ik bij iemand in huis wonen. Ik zei haar voordat ik er kwam wonen dat het maximaal drie maanden zou zijn. Tijdens mijn verblijf daar zei ik het nog een aantal keer per maand en toen het einde van de tweede maand in zich was, zei ik het nogmaals. Ze keek geschrokken op en begon te huilen: dit had ze nóóit zien aankomen. En hoe moest ze dat nou toch allemaal zo halsoverkop gaan doen?

Opnieuw bestond ik niet.

Een aantal weken geleden was het opnieuw raak. Iemand vroeg of ik iets wilde verkopen, omdat het toch maar in de opslag stond en ik er niets mee deed. ‘Nee.’ was mijn antwoord meteen. Ik wilde er niet vanaf, ik wilde het niet verkopen en ook niet als ik daar heel veel geld voor zou krijgen. Het was één van de weinige dingen die ik had gehouden en dat was dus met een reden.
‘Als ik het ooit wil verkopen, dan hoor je het wel.’ zei ik nog en daarna dacht ik er niet meer over na, tot ik een paar dagen later werd gebeld door een onbekend nummer.

‘Goedemiddag mevrouw, ik hoorde dat u iets prachtigs heeft dat u wilt verkopen.’ 

Mijn mond viel open van verbazing. In de eerste plaats was ik boos dat mijn nummer zomaar aan een onbekende werd gegeven (ik ben nogal panisch met het geven van mijn telefoonnummer) en daarna realiseerde ik me pas dat ik opnieuw niet bestond. Of mijn woorden bestonden niet. Ik was lucht. Mijn uitspraken waren lucht. Mijn behoeften, mijn ideeën, mijn mening en mijn waarden waren lucht. Ze deden er niet toe. Ik kon iets dan wel niet willen verkopen, blijkbaar dachten anderen daar verschillend over en dus werd het aan me opgedrongen. finger-422529_640

Voor het eerst voelde ik me agressief-assertief worden. Is het in deze tijd (spreekt oma opnieuw) nou écht nodig dat ik mijn stem verhef, heel erg boos wordt of mensen ga uitschelden voordat het een keertje duidelijk word dat ik iets niet wil? Is een simpele ”nee” niet voldoende? Moet ik het twintig keer herhalen en steeds bozer worden of van me af gaan meppen voor het duidelijk is?

‘Ik bel u vanmiddag even terug.’ zei ik rustig, waarna ik ophing. De man heb ik nooit teruggebeld. Een week later kreeg ik een smsje van degene die mijn nummer aan hem had gegeven met de vraag of ik een goede deal had kunnen maken. Dat berichtje negeerde ik.

Het blijkt nogal moeilijk te zijn voor mensen om iets aan te nemen, zonder dat die persoon tegenover hen uit z’n slof schiet. Blijkbaar is er (spreekt oma voor het laatst) in deze tijd geen mogelijkheid meer om respectvol met elkaar om te gaan en naar elkaar te luisteren. Maar dat passieve gedoe zie ik ook niet zitten. Agressie evenmin.
Misschien werkt een combinatie van de twee, passief agressief worden:

”Tuurlijk. Want jij weet toch zo goed wat ik allemaal wil.”

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.