Ik loop graag. Liever dat, dan de fiets of de auto. De trein vind ik wel leuk, soms, maar ook niet altijd. Met de fiets kun je nergens veilig komen. Vooral als je in de stad woont en daarnaast is het altijd een gevecht tegen de natuur en je medemens. Iedereen die fietst, vind dat niet leuk. Ze haten het, dat zie je meteen. Een mens op de fiets zie je niet lachen, maar altijd verbeten voor zich uit kijken, terwijl ze hard op de trappers trappen naar hun veilige huisje toe. En je kunt door een auto geschept worden, dat ook nog, want alle automobilisten zijn sukkels.

Om een of andere reden geeft het idee van een stalen doodsconstructie op vier wielen mensen de vrijbrief om als een idioot over de weg heen te razen. Mensen rijden te hard, geven andere mensen – en dan vooral fietsers – geen voorrang, en ze schelden elkaar uit. Daarnaast word je gevangen gehouden door de wegen die je moet berijden, waardoor een ritje van tien minuten een rit van een half uur kan worden. Nee, de auto is niks voor mij. Het is alleen leuk om samen in de auto te zitten, met een mooi meisje aan je zijde en een zonnebril op je hoofd, op weg naar een vakantie met heel veel zon. Dan is het wel leuk.

En dan nog niet eens altijd.

Lopen is perfect. Het is lekker langzaam, je kan staan en gaan waar je wilt en je mag overal naartoe lopen. Die straat in? Ja is goed, we lopen er naartoe. Die straat in? Nee, dat ziet er niet echt gezellig uit. Oost, West, Noord, Zuid, geen probleem, alle wegen zijn open voor je. Ook kun je goed om je heen kijken. Bij de fiets en de auto heb je daar geen tijd voor, omdat al die andere wegdeelnemers je proberen te vermoorden. Bij lopen kun je de aandacht houden op de dingen die echt belangrijk zijn, namelijk, de dingen om je heen: de mensen die voorbij je lopen, de straten waar je doorheen loopt en de huizen waar je langs loopt.

Alleen in Tilburg wordt dat beperkt. In Tilburg heb je namelijk geen voortuinen: de stoep staat meteen tegen het huis aan geplakt. En omdat ik nu eenmaal op de stoep loop, en niet over het asfalt, en omdat de meeste mensen hun woonkamer aan de voorkant van hun huis plaatsen en niet aan de achterkant, ervaar ik altijd de neiging om even naar binnen te kijken. Meer mensen hebben dit, want Tilburgers hebben een zesde zintuig ontwikkeld, denk ik, dat ervoor zorgt dat mensen het meteen opmerken wanneer iemand hun woonkamertje in kijkt. Ze voelen het en ze kijken je dus meteen aan, wat alleen maar voor onprettige situaties kan zorgen. Tilburgers hebben het probleem proberen op te lossen door stencils op de ramen te plakken, borden of vazen voor de ramen neer te zetten of gewoonweg de gordijnen te sluiten. Jammer vind ik dat, want juist in de huizen kan je de verhalen vinden, zoals je die alleen in echte mensenlevens kan zien afspelen: window-500245_640

Ik liep de Jasmijnstraat uit, de Goudenregen straat in, op weg naar het centrum en mijn werk. Ik liep de hoek om en zag daar een man in zijn deuropening staan. Hij had grijs, dunnend haar op zijn hoofd en een dubbele kin onder zijn gezicht, samen met een shirtje dat net, maar dan ook net (!), te kort was voor zijn lijf. Zijn buik puilde over zijn trainingsbroek heen. Het was een echte Tilburger die in zijn deuropening stond te roken. Rechts van hem was een raam waar gordijnen voor hingen. Ik keek hem aan en hij keek terug; onze blikken kruisten, waarna ik zijn blik vermeed, naar beneden, zijn woonkamer in:

Het was een bende: kleding lag overal verspreid, op de tafel, de bank en op de grond, op het stapelbed in de hoek. Ik zag de verlaten etensresten van de vorige avond nog op de tafel staan, samen met de etensresten van de dag daarvoor, en de dag daarvoor. De TV, in de achterkant van de kamer, liet RTL Boulevard zien. Gerard Joling kon ik nog net onderscheiden, met zijn parelwitte tanden en valse lach.

Ik keek weer voor me. Ik had genoeg gezien. Totdat ik opeens een stem hoorde:
“Papa, kom je een verhaaltje vertellen?”

Ik keek nog één keer achter me. Een klein meisje was achter de man tevoorschijn gekomen. Ze was een jaartje of 4, misschien 5, met blonde haren en een aanstekelijke lach. Ze had fel blauwe ogen. De man keek nu ook naar haar en lachte:

“Ja schat, ik kom eraan. Even mijn sigaretje oproken”
“Neeee, papa. Ik wil nu een verhaaltje! Toe, Papa, toe!”

Snel gooide hij de peuk de straat in, op de stoep, en hurkte op zijn knieën. Hij pakt haar kleine lichaampje vast en tilde het op. Hun gezichten waren nog geen tien centimeter van elkaar verwijderd:

“Wat wil je horen? Het ‘Frozen’ boekje?”
“Nee, nee, nee! Een papa verhaaltje! Een papa verhaaltje!” lachte ze.
“Is goed, schatje. Is goed.”

De man liep naar binnen en sloot de deur hard achter zich dicht. En ik? Ik liep verder, naar het centrum en naar mijn werk.

Over de auteur

Een cynische etter met een marginaal gevoel voor humor en literair talent. Houdt van honden, heeft een kat.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.