Er was een vis genaamd Guppie. Die woonde in een glazen kom in Nijmegen. S’avonds rookte hij shag, s’ochtend stond hij op met een kater. Rochelend kwam hij elke ochtend naar beneden.

Zijn vrouw stond te koken.

“Wat ben jij nu allemaal aan het doen?” vroeg zijn vrouw, terwijl Guppie op de bank rustig een shaggie draaide.
“Gewoon. Even roken, wijf.”
“Wat zeg je…”

Elke ochtend was hetzelfde ochtend ritueel. Zeven uur opstaan, een shaggie draaien op de bank en zijn vrouw die aan zijn kop ging zeiken. Wanneer kon een vis nu rustig zijn momentje hebben? Het leven bestond uit werk, werk werk. Het leven was een moetje, maar niet een willetje.

In het geheim leed Guppie al jaren aan een depressie.

Het begon onschuldig. Het kroop er langzamerhand in. Eerst begon hij zijn eetlust kwijtraken. Weg was het voldane gevoel na een maaltijd die zijn vrouw had gekookt. Daarna kwam al snel het gewichtverlies, het zinloze gevoel. De sombere stemming begon er langzaam in te sluipen.

Guppie had niet eens meer zin in seks.

Aan zijn vrienden kon hij het niet vertellen. Aan zijn vrouw ook niet. Wie kon hem nu begrijpen? Een goudvis had geen depressie, een goudvis had een makkelijk doel in het leven: kleine guppies maken en daarna rustig sterven. Daar, in de vissenkom.

Maar waarom leek het allemaal zo zinloos?

Guppie draaide zijn shaggie af en stak hem op. Rustig volgde hij met zijn ogen de bewegingen van zijn vrouw. Vroeger was ze mooi, maar nu zatten haar schubben niet meer zo strak. Zal zij ze missen vroeg Guppie zich af.

Wie zal me ooit missen?

 

Over de auteur

Een cynische etter met een marginaal gevoel voor humor en literair talent. Houdt van honden, heeft een kat.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.