”Ik vind jou gewoon.” Dat zei ik, zonder er over na te denken dat iemand dat wel eens als een belediging kan opvatten. Hij deed dat. Zelf hoop ik al mijn hele leven dat er iemand naar me toe komt en precies die woorden uitspreekt, maar dat is nog nooit gebeurd. Meestal ben ik ”raar” of ”vreemd” of in het ergste geval ”niet helemaal goed.”

Hem vind ik gewoon, maar hij ging meteen in de verdediging: ‘Hoezo ”gewoon”. Ik ben helemaal niet gewoon! Ik ben het raarste van alle mensen die ik ken.’

Ik had daarmee dus twee fouten gemaakt. Fout 1 was dat ik hem gewoon noemde, fout 2 was dat ik het wedstrijdelement compleet had gemist. Het is belangrijk om ongewoon te zijn en dus ook het aller ongewoonst van iedereen die je kent, maar hij is dat niet. Verre van zelfs. In het verleden ben ik mensen met krullend haar tegengekomen die een pluk uit hun hoofd trokken en het in een vloeitje wikkelden om op te steken. Hun shag was op, maar dit zou ook prima roken. Ik ben mensen tegengekomen die het klokhuis van een appel opaten. Dat vind ik ongewoon. Ik kan bij hem niets verzinnen wat ongewoon is.

‘Noem eens op wat er zo gewoon aan me is dan.’ zei hij laatst. Daarop volgde een gefluisterde ‘tsss gewoon…’ alsof ik net had gezegd dat twee plus twee honderd is. Kennelijk was mijn conclusie bijzonder ongewoon.
‘Nou!’ begon ik ‘Je doet alles net als iedereen.’
‘Helemaal niet! Ik doe niks als iedereen.’
‘Geloof me. Je doet alles als iedereen.’
‘Hoe kan het dan dat ik de raarste ben van de vriendengroep?’
‘Omdat je alles doet zoals iedereen, behalve je vriendengroep.’
‘Ik ben helemaal niet gewoon!’
‘Jawel.’
‘Noem eens een voorbeeld.’

En nu wordt het gevaarlijk, want nu voer je een discussie die behalve waardeloos, ook nog eens uitzichtloos is. Als iemand ongewoon wil zijn, dan vindt hij wel iets waardoor hij ongewoon is.

‘Je hebt een vriendengroep. Dat is gewoon.’
‘Hoe?!’
‘Je doet dingen zoals iedereen ze doet. Je gaat in de weekenden uit. Je uitspraken zijn gewoon… gewoon! Iedereen zegt het zo.’
‘Naah! Wat een onzin!’

Hij zwiepte zijn hand in de lucht, omdat ik het ontzettend bij het verkeerde eind had. Hij was ongewoon en zou altijd ongewoon blijven. Ik besloot dat ik hem gelijk zou geven.

‘Oké, weet je. Misschien ben je ongewoon. Ik heb de feiten ook niet zo op een rijtje. Ik heb geen kant en klare definitie. Het was meer een constatering. Waarschijnlijk ben je niet gewoon.’
‘Nee laat maar.’

Aha, deze drie kleine woordjes vertelden me dat het gesprek voorbij was, omdat ik het toch alleen maar verpeste. Ik besloot het daarbij te laten en hem vanaf dat moment nooit meer ”gewoon” te noemen.
Maar even tussen ons: hij is een prakker. Zo één die zijn aardappels stampt en de groenten er doorheen friemelt met zijn vork.

Gewoner dan dat kun je toch niet worden?

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.