En ineens lig ik languit op straat. Ik veeg met mijn handen over mijn broek, uit reflex. Het zou zonde zijn als die kapot is gegaan tijdens mijn val: ik ben er net weer ingegroeid. De afgelopen tijd ben ik wat aangekomen en deze broek – mijn lievelingsbroek, maat 25, donkere spijkerstof en grote zakken op de kont – is alleen mooi wanneer hij past. Niet als hij afzakt. Hij is dan wel van spijkerstof, maar hij voelt alsof je een joggingbroek draagt. Ik was zo blij dat ik hem weer paste, het zou dramatisch zijn als ik hem heb vernield.

De broek is niet kapot, maar ik wel.

Terwijl ik over mijn knieën wrijf, merk ik dat ik pijn heb. Geen pijn op zo’n manier dat je half struikelt en er even een spier verkeerd schiet, maar dezelfde pijn als toen ik tien jaar oud was en mama een lange rok voor me had gekocht. Wit met blauwe bloemen. Ik was er trots op. Ik droeg hem de hele zomer.

Mijn beste vriendin en ik gingen belletje lellen. Kattenkwaad. Zij stond bij het hegje en ik liep het pad op, drukte op de bel en rende vervolgens weg, maar mijn rok liet dat rennen maar een paar meter toe. Ik viel. Zo hard dat ik meteen begon te huilen. Ik herinner me nog dat ik met wazige ogen opkeek naar haar, en dat zij in tweestrijd stond. Ging ze mij redden voordat de boze meneer van nummer 14 open zou doen, of zou ze wegrennen om een confrontatie met die boze man uit de weg te gaan?

Gek genoeg herinner ik me de rest niet. Alleen mijn mooie rok, en de pijn van knieën op de klinkers. Ik herinner me dat ik toen precies hetzelfde dacht als vandaag: hoe ziet mijn kleding eruit na de val?
Maar vandaag was er ook een andere gedachte.

Terwijl ik viel, kwam de gedachte in me op dat ik me vaak zo heb gevoeld, jaren geleden.

In die rok, of toen ik mijn hoge gele schoenen droeg. In mijn nieuwe kleding, toen ik hard rende tot er een tak tevoorschijn kwam. Toen we met de basisschool klas voor het eerst gingen sporten op een veld gemaakt uit gravel en ik zeker vier meter op mijn blote knieën doorschoot naar het doel. Ik herinner me de donkere kleur van jodium en mijn lerares die me meenam naar een kleedkamer. Ze zei dat ze mijn vader zou bellen. Ik kreeg een gaasje op mijn wond.

En nu lig ik hier. Ik check mijn kleding, klop mezelf af en voel mijn linkerarm en mijn pink kapot geslagen om me heen hangen. Je moet altijd lachen als je valt. Uit schaamte, of om te laten zien dat je zelfspot hebt, maar er is niemand op straat. Ik hoef dus niet te lachen. Ik mag de tijd nemen.

Ik wrijf nog een keer over mijn knieën. Om mijn voeten zie ik een rond plastic ding liggen. Ik pluk hem van me af, zucht en hijs mezelf langzaam weer overeind.

Ik sta nog maar net tot ik een stem hoor: ‘Gaat het??’
Ik kijk om me heen, maar er is niemand. Opnieuw klinkt de stem: ‘Jezus wat ligt daar op straat man?’ De stem komt van boven. Het is God niet, maar een man die aan het werk is op zijn dak. Ik vraag me af waarom er een man om negen uur ’s ochtends het dak van zijn eigen woning beklimt. Dat kan toch ook om twee uur? Dan had hij kunnen uitslapen en dan had hij, net als de hele wereld, mijn val gemist. Dat leek me beter.

‘Ja…’ zeg ik. ‘Ja, het gaat. Er ligt hier een tie rip op straat. Wat de fuck.’

In de ochtendzon lijkt hij wel een engel. Ik houd mijn hand boven mijn ogen om hem te kunnen zien.
‘Ja Jezus…’ zegt hij en daarna is het stil. Ik loop door. Ik wil naar huis.

‘Wil je koffie?’ schreeuwt de man op het dak ineens, en ik schreeuw terug: ‘Nee bedankt!’ terwijl ik denk dat ik net driehonderd gebroken botten heb opgelopen en koffie met een vreemde wel het laatste is waar ik op zit te wachten. Maar ik ben ook dankbaar. Het is een paradox. Het zou toch een mooi verhaal zijn als we voor eeuwig bevriend raken, alleen maar door het kopje koffie dat hij me heeft aangeboden, omdat ik als een soort plat gereden kruis op straat lag.

Als ik thuis kom, bekijk ik mijn knieën en handen. Ze zijn blauw en paars.

Een knie is geschaafd, de ander ziet eruit alsof ik er een fietspomp op heb gezet en er als een bezetene drie uur lang lucht in heb staan blazen. Maar mijn kleding is nog heel. En er was iemand die koffie met me wilde drinken, ondanks alles.

Een gaasje heb ik vandaag niet nodig. Soms is de goedheid van de medemens genoeg.

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.