Daar stond ik weer: twee tassen, een rugzak en een broek die steeds meer was afgezakt tijdens het lopen. De mensen die braaf aan het wachten waren in de trein achter mij, hadden een prachtig uitzicht op mijn bilnaad. En dat was als ik geluk had, want waarschijnlijk was inmiddels mijn complete onderbroek te zien.

Mijn rechterarm verdween subtiel (in hoeverre is subtiel mogelijk als je je eigen broek probeert op te hijsen?) naar de achterkant van mijn broek, maar met twee tassen om mijn arm ging het moeizaam. De tassen blokkeerden de grip. Ik kon de linkerarm proberen, maar ik ben nooit handig geweest met links. Voor mij voelt mijn rechterarm het grootste gedeelte van de tijd al aan als een linker, laat staan de linkerarm zelf. En dus waagde ik me er niet aan: ik pleurde mijn tassen op de grond en sloot vrede met het idee dat mijn broek tijdens die handeling tot aan mijn knieën zou afzakken.

Toen de tassen op de grond stonden en ik weer rechtop stond (mét opgehesen broek), bukte ik opnieuw naar voren. Nu ik mijn armen vrij had, leek het me niet meer dan logisch als ik een sigaretje zou roken. Dat had ik die dag ook nog niet gedaan en het was al bijna vijf uur. Schandalig.

Net zo schandalig is de enorme hoeveelheid troep die ik altijd met me meezeul voor een paar dagen. Meestal kieper ik een toilettas, twintig aanstekers en meerdere pakjes sigaretten in de tas die ik op dat moment bestempel als ”handtas”. En op de een of andere manier verdwijnt alles in zo’n tas. Als je je aanstekers niet kwijt bent, dan zijn het je sigaretten wel. Of je mueslireep. Of je telefoon. Of je sleutels.carryout-bag-156777_960_720

Het is nog nooit voorgekomen dat ik iets in één keer kon vinden. Als ik nog een kwartier heb om te roken, ben ik meestal tien minuten aan het zoeken naar iets wat rookbaar is en daarna nog vijf naar iets wat het laat roken. Nu zullen de anti-rokers vast samenzwerend in hun handjes wrijven (moet je trouwens ook lekker doen: iedereen zo zijn gebrek), maar als roker is dat een van de meest frustrerende dingen. Het brengt me ook altijd op een specifieke vraag:

Waarom zeul ik toch zo veel mee als ik wegga?

Waar ik tien jaar geleden vrouwen nog uitlachte als ze een hele handtas meenamen naar de kroeg – want ”je hebt toch broekzakken?” – moet ik er nu niet meer aan denken om zonder tas weg te gaan. En dan heb ik het niet over een leuk tasje waar je wat biljetten in kunt doen en een aansteker, maar over mijn eigen tassen. Mijn grote tassen. Van die dingen die nog twintig extra vakjes hebben waardoor je denkt: deze moet ik meenemen, want dan stop ik dit in dat vakje, en dat in dit vakje, en dan vind ik alles terug. Wát een handige tas is dit. Ik ben zo blij met deze tas.

Waar je niet over nadenkt is dat je lippenstift ineens in je sigaretten vakje zit, je sigaretten gewoon los in de tas, je chocoladereep (heel belangrijk) verpletterd tussen de twee boeken die je meenam en je sleutels zitten helemaal niet in je tas, want die heb je toen je wegging, gewoon in je jaszak gestopt. En daar kom je pas na drie kwartier zoeken achter.

Maar je kunt het huis niet uit voordat je je tas goed ingericht hebt. Zo noem ik dat dan maar, want ondanks dat de inrichting binnen vijf minuten overhoop ligt, moet je hem wel inrichten. Zodat je zeker weet dat je alles hebt. In mijn geval: chocolade, muselirepen, flesje water, telefoon, kauwgum, portemonnee, sleutels, de pil, tandenborstel, BB-creme, schone onderbroek, sigaretten, drie aanstekers, pepermuntjes, een lippenstift, parfum en deodorant. Je weet immers maar nooit waar je terecht komt. Misschien word je onderweg wel ontvoerd. Dan kun je in elk geval nog een slokje water drinken en de pil innemen. Dat is natuurlijk ook precies waar je aan denkt op zo’n moment.

Wordt het niet eens tijd voor verandering?

Ik keek vanaf de twee tassen die voor me gedumpt stonden, naar de trein die was komen aanrijden. Die eerste sigaret van de dag moest ook nog even wachten. Ik hees één tas om mijn schouder en de ander bungelde heen en weer in mijn hand.
Dit was de laatste keer dat ik zo veel spullen meenam, bedacht ik me toen. En ik vond het een heel mooi streven.

Op het moment dat ik een plaats had gevonden, blies de conducteur op zijn fluitje. De deuren sloten en daar ging ik weer, op weg naar huis. Ik liet mijn hoofd tegen het raam vallen en dacht na: wat nou als de treindeuren plotseling uren dicht zouden blijven zitten door een storing?

Meteen haalde ik mijn schouders op: ik had mijn chocolade, mijn muselirepen, schoon ondergoed, een tandenborstel en niet één, maar twee flesjes water. Ik hield het nog wel even uit tijdens een ramp en vroeg me af wie dat nog meer konden zeggen. 

 

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.