Het is vreemd hoe het menselijk brein werkt: het ene moment ben je zo zeker van een idee en het andere moment doet je brein er werkelijk alles aan om het te ontkennen. In die fase zat ik. Ik voelde nog steeds alles door elkaar: van depressie, naar verdriet, naar woede en, de meest gevaarlijke: onvoorwaardelijke liefde.

Ooit, zo’n twee jaar geleden, had ik een artikel over liefdesverdriet gelezen. Het was een aantal dagen nadat ik voor het eerst gedumpt werd door mijn Blinde Vlek, en ik wilde weten waar ik nou aan toe was. Niet dat ik niet eerder was gedumpt, maar ik had zo’n gevoel dat dit wel eens the real deal zou kunnen zijn. Ik was immers al dagen aan het slapen, ik kon niet eten en als ik wel voor mijn werk naar een evenement moest, dan barstte ik middenin de mensenmassa in huilen uit. En dan te bedenken dat ik toch echt wel dacht dat ik de ergste breakup ooit een aantal jaren daarvoor had mogen ervaren. Niets bleek minder waar.

Ik begon op Google te zoeken naar de wetenschap achter liefdesverdriet: de meest onderschatte psychische ”stoornis”. Echt hoor…

In het artikel stond dat mensen die met een verlies te maken hebben – of dat verlies nou gekozen is, of ze zomaar overkwam – een brein hebben die zo fucked is, dat zelfs een pornoster er qua fucked-ness niet tegenop zou kunnen. Mensen die rouwen of liefdesverdriet hebben, zijn allemaal compleet gestoord en het menselijk brein kan dat niet meer bijhouden, waardoor het een bescherming ontwikkelt en de waarheid van de situatie zich maar heel langzaam aan je opdringt. Anders zouden we allemaal meteen flauwvallen door extreme zenuwprikkels en emoties. Nogmaals: ik maak geen grap.

Mijn Blinde Vlek had zich ook zo ontwikkeld de afgelopen jaren. Ik had mijn brein extreem vertrouwd op de genuanceerdheid en het goedpraten dat ik een Blinde Vlek creëerde en het nadeel daarvan was inmiddels duidelijk: zo lang hij terug bleef komen terwijl mijn brein een spelletje bleef spelen, zo lang zou ik hem ook toelaten in mijn leven en denken dat ik het écht bij het rechte eind had.

Horror.

Gelukkig was er, zelfs na een paar dagen, alweer genoeg om over te lachen. Zo werd ik op een ochtend wakker met het idee dat ik hem niet meer zou missen, maar wel het idee dat we nooit meer seks zouden hebben. Esther stuurde op haar beurt het volgende bericht:

image1 (1)

Op dat moment leek het niet eens zo onaantrekkelijk… Ik was al lang genoeg een non geweest en wat nou als ik een enorme piemel (zonder bindingsangst, want oh wat zouden we binden met z’n tweeën) wilde aanschaffen? Mocht ik toch lekker zelf weten. Hij had daar niks meer mee te maken. Net als ieder ander op de wereld.

Een dag daarna, konden Esther en ik zelfs spontaan een rollenspel spelen, waarin zij hem speelde, en ik mij. Ik ben het beste in mij. En zij in hem, zo blijkt. 

FullSizeRender
FullSizeRender (1)

Je moet toch overal om kunnen lachen, zelfs als je jezelf het liefste van een gebouw af wilt gooien, en wilt vragen of iemand even beneden kan staan om je nog een strijkijzer op je kop te gooien voor het geval je nog niet helemaal dood bent.

De dagen daarna vorderden zoals ik had verwacht:

Ik bleef me bedenken dat het nog steeds niet over kon zijn en Esther bleef maar herhalen dat ik geen enkele reden had om mezelf nog langer zulke bullshit aan te praten. Het hielp overigens geen reet, want hij is niet voor niets mijn Blinde Vlek, maar langzaam kwam ik uit mijn dal.

Ik had een week lang twaalf uur per dag geslapen, en als ik wakker werd was ik nog steeds moe. Ik wilde mijn huis niet uit, ik wilde niet eten, ik wilde niemand zien of spreken en ik creëerde een serieuze verslaving aan apps die je eigenlijk niet leuk mag vinden als je niet langer twaalf bent. Ik dacht na en het hoogtepunt van mijn dag bestond uit de klok, die me vertelde wanneer ik weer in bed mocht gaan liggen. Ik las drie boeken, keek twee films, at zoveel witte chocolade dat mijn huid één grote puist was geworden, en tenslotte pakte ik op een ochtend mijn yoga weer op.

Ik ademde in en uit. En in. En uit. Mijn hartslag kalmeerde, maar mijn geest nog niet.
Goed, hij was weg, dat was een feit. En ik was ook weg en het de komende honderd jaar zou ik ook nog niet terugkomen. Maar ergens was er – behalve mijn brein die me elke keer in de maling nam – ook een ander lichtpuntje aan de horizon verschenen:

De komende maanden hoefde ik me niet te scheren, en ik mocht zo veel grote onderbroeken dragen als ik wilde. 
Er is iets positiefs. Altijd. 

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.