Daar sta ik dan. Op onze afgesproken plek, met knieën die zo slap zijn als spaghetti. Ik sta daar gewoon op de uitkijk. Gespannen sta ik naar de uitgang van de parkeergarage te loeren, wachtend totdat hij daaruit komt. En ineens schrik ik me rot, als ik achter me een ‘hoi’ hoor. Shit, hoe lang staat hij daar al?

Ik had muziek aan staan om mezelf een beetje tot bedaren te brengen, en had hem niet aan horen komen. Waarom ben ik zo zenuwachtig?

‘Hoi’ zeg ik terug, ‘hoe gaat ie?’ Jeetje Loor, dat kan toch wel wat origineler?
‘Ja hoor, met jou?’
‘Ja hoor, met mij ook.’

Nou, dit gaat lekker soepel. We hebben in ieder geval al iets tegen elkaar gezegd. Het moet zo zijn dat het regent, dus lopen we samen onder mijn – veel te kleine – paraplu. Ik weet even niet wat ik moet zeggen en hij blijkbaar ook niet. In stilte lopen we verder en schuiven aan op het terras.

Ik bestel meteen een biertje, misschien dat dat helpt tegen de zenuwen. Ik open het gesprek met iets in de trant van, ‘vies weer is het hé?’

Ik ga echt lekker vanavond zeg. Hij zal wel denken. Ik probeer zijn lichaamstaal te lezen en te kijken of hij zenuwachtig is. Niets. Er verrekt geen spier. Ben ik dan de enige die er zo bij zit?

Ik neem een slokje bier en begin maar gewoon te praten. Het gaat me aardig af en naarmate mijn biertje vordert, ga ik steeds meer en harder praten. Zo herken ik mezelf weer. Het enige wat ik pas in de gaten heb als ik ineens heel nodig moet plassen, is dat ik zeker een halfuur heb zitten ratelen en hij drie woorden heeft gezegd. Ik piep er snel tussenuit, en bedenk me op de wc dat ik even niet zo veel meer ga zeggen en alleen ga luisteren.

Als ik terug kom, zit hij er nog. Thank god. We hervatten ons gesprek en ik hm-hm en knik heel wat af in het daaropvolgende uur.

Het was een goed idee. Eindelijk kom ik wat te weten over hem en er ontstaat een gesprek waar we allebei evenveel aan bijdragen. Ik merk dat ik lach om hem, soms iets te overdreven, maar het maakt me geen reet uit.

Ineens zie ik de ober met een roos over het terras heen lopen, shit, het is natuurlijk Valentijnsdag. Als ‘ie ons maar geen roos komt geven als we zo opstaan, daar zit ik echt niet op te wachten. In mijn hoofd begin ik me al druk te maken en ik stel me de ongemakkelijke stilte voor, als hij die roos komt geven.

Ik probeer zo ontspannen mogelijk te doen en gelukkig lukt me dat aardig. Hij heeft veel dezelfde interesses als ik en we praten over muziek, onze opleiding en we blijken ook nog dezelfde droge humor te hebben. Ondertussen kijk ik even op mijn telefoon en zie dat het al redelijk laat is. Op dat moment komt ook het meisje van de bediening onze kant op gelopen met de mededeling dat de laatste ronde zo gaat beginnen.

We besluiten onze drankjes op te drinken en op te staan. We lopen weer terug naar het punt waar we elkaar eerder op de avond ontmoetten. Eigenlijk weet ik niet wat ik precies moet doen of zeggen, dus ik zeg maar gewoon ‘doei, het was gezellig.’

‘Ja, dat vond ik ook, we spreken elkaar.’

Ik draai me om en loop weg, richting huis. Me afvragend of dit een goed afscheid was. Als ik thuis kom zie ik dat ik al twee berichtjes heb waar in staat dat hij het leuk vond en of we nog een keer gaan afspreken.

‘Ja, dat gaan we zeker doen! Kun je dit weekend?’

 

Lees ook deel 1: Daten via Tinder

Over de auteur

Chaotische creatieve allesdoener, met een liefde voor schrijven en het leven.

één antwoord

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.