Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik met mijn tenen de dakpannen aftast. Mijn rugtasje blijft steken als ik het door het raam naar buiten probeer te trekken. Even sta ik daar, met twee tenen op het schuine dak, stevig vastgeklemd aan het raamkozijn. Ik vraag me nu pas af of dakpannen niet gewoon wegglijden onder je voeten als je erop gaat staan. Wat een plan.


Ik was al eerder weggelopen. Vier jaar geleden was ik midden in de nacht uit bed gegaan, had me aangekleed en was stilletjes de deur uit geglipt. Ik heb toen geleerd dat je dat nooit ‘s nachts moet doen. Het saaiste dorp verandert in een ongure achterwijk in het oranje licht van de straatlantaarns. Oranje, dat herinner ik me. De lucht, de straten, alles in die warme kleur die de stilte des te killer maakte. Ik wilde de trein pakken, maakt niet uit waarheen. Eigenlijk wist ik gewoon niet waarheen, maar dat gaf ik niet toe. Ik had heus wel een plan. Ik wilde naar opa en oma, want dat is de enige plek waar ik me altijd veilig voel. Maar ik was 13 en had geen idee van treintijden, en dat ze na twee uur niet meer rijden.

In het felle licht van het station leek het alsof ik op een eilandje zat, met aan beide kanten het spoor dat onderging in het donker. Ik hoorde een auto. Vlug dook ik achter een muurtje. Het was de auto van mijn vader. Ik zag hem rondkijken met die panische blik die ik maar al te goed kende. Stress met een flinke dosis boosheid. Ik kon maar beter blijven zitten.

Ik was bang. Ik wilde naar huis. Maar ik was te bang om naar huis te gaan. Ik liep wanhopig alle treinborden af terwijl ik zocht naar een uitweg uit dit oranje dorp. Er moest toch wel ergens iets rijden? Ik hoorde weer een auto aankomen, en kromp ineen. Het was een HTM-busje. Een man draaide zijn raampje omlaag, en vroeg of ik naar huis wilde. Ik knikte. De man opende zijn deur. En daar, in het oranje licht, stapte ik in dat busje bij een wildvreemde man.

Hij vroeg waar ik woonde. Ik loog en zei dat ik bij het andere station woonde. Dat station was groter en er reden vaker treinen. Daar zou ik vast wel weg kunnen komen. Hij vroeg me of ik was weggelopen. Ik knikte weer. Toen hij me afzette gaf hij me een opmerking in de trend van ‘nou, niet meer doen hoor!’ en reed weg. Ik wachtte tot hij uit het zicht was voor ik me omdraaide en richting het treinstation liep.

Tien minuten later zat ik te huilen op een bankje. Er waren geen treinen meer, en het duurde nog uren voor de volgende kwam. Ik was gestrand en mijn avontuur was een flop. Ik moest met hangende pootjes door de oranje straten terug naar huis.


Maar dit keer heb ik een plan. Bovendien is het dag. Dus dit keer wordt het heel anders, denk ik terwijl ik op de dakpannen balanceer. In mijn hoofd zie ik voor me hoe mijn ouders naar buiten stormen om te kijken waar die herrie op het dak vandaan komt. Met een sprong beland ik op het schuurtje. Nu kunnen ze me vast zien vanuit het keukenraam. Met twee stappen ben ik bij de dakrand en laat me zakken op de vuilcontainer en dan op de grond. Mijn gymleraar zou trots zijn.

Alsof ik achtervolgd wordt door wolven ren ik de straat uit. Ik ben er volledig van overtuigd dat mijn vader me heeft gezien en nu als een wilde achter me aankomt. Pas als ik aan de rand van het dorp ben stop ik met rennen. Ik kijk achterom, maar niemand hier interesseert zich in mij. Ik hang mijn rugzakje over mijn schouder. Uit het raam klimmen. Wat een plan.

backpack-1836594_640

Over de auteur

Koopt alleen blauwe dingen.

2 reacties

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.