Er zijn twee 1 april grappen die me de afgelopen 27 jaar zijn bijgebleven. Grappen waar ik ook echt intrapte. Beiden door Vriendelijke Vriend, want blijkbaar vind ik hem bijzonder geloofwaardig.

De eerste keer dat zijn grap werkte, zat ik in groep zes en hing ik wat rond bij de kapstokken. Ik boog mijn wijsvinger om het haakje en probeerde mijzelf met alleen die ene vinger op te tillen. Het werkte niet, mijn vinger zat onder de striemen, maar ik probeerde het elke dag opnieuw.

Mijn rode jasje hing aan diezelfde kapstok.

Een dun model, want mijn moeder hield van seizoensgebonden kleding. Ik werd in t-shirt en korte broek naar school gestuurd in de weken voor de zomervakantie. Het was koud, ik protesteerde vaak, maar moeder schudde dan haar hoofd: ‘Vanmiddag wordt het wel warm.’

Het kwam zelden voor dat ze gelijk had.

Die dag was het ook te koud. De kapstok hing vol met jasjes die tussen een zomer en winter-model in zaten. Ik griste het van de kapstok, stak onhandig één arm in een opening en toen ik opkeek, stond Vriendelijke Vriend (in mini versie, natuurlijk, hij moet in groep 8 hebben gezeten) tegenover mij.

Ik zei hoi, maar hij keek ernstig: ‘Dunja heeft kinkhoest. En ze gaat dood.’

Ik schudde mijn hoofd. Dunja, mijn beste vriendin, was die dag niet op school, dat klopte. Maar ik had haar die ochtend toen we wakker werden nog gezien. Zonder hoest die klonk als kink. Gewoon een beetje grieperig. Ik had het die week daarvoor gehad.

‘1 april!’ zei ik en ik wilde doorlopen, maar Vriendelijke Vriend stopte me. Stond ‘ie dan. Tegenover me met zijn bloempotkapsel. ‘Nee!’ hij keek me aan. ‘Het is geen 1 april grapje, ik meen het. Er is net naar de school gebeld.’

Mijn ogen schoten over zijn gezicht, op zoek naar een zenuwtrekje dat zou verraden dat hij een grap maakte, maar ik werd begroet door een ijskoude blik.

‘Ze gaat dood, Jacky.’ herhaalde hij.

Op dat moment welden de tranen in mijn ogen op en Vriendelijke Vriend (klootzak die hij toen al was) bleef volhouden. Ik trok de andere helft van mijn jas aan en rende naar buiten. Ik had genoeg tijd; de pauze was net begonnen. Ik rende de straat op, rende om het huizenblok heen, rende nog een stukje door en belde toen thuis aan.

Dunja opende de deur. Onderweg had ik gehuild. Ik was theatraal overstuur naar haar toegerend, maar dat theatrale was niet gespeeld. Ik miste haar al omdat ze een dag niet op school was, ik had geen enkel idee hoe mijn leven te redden viel als ik haar altijd zou moeten missen.

Ze stond tegenover me, in de deuropening. Haar duim nog half in haar mond. Grote, verbaasde ogen: ‘Wat is er?’
‘Vriendelijke Vriend zegt dat je doodgaat.’
‘Dood?!’ ze begon te lachen. ‘Sinds wanneer ga ik dood?’
Ze begon nog harder te lachen en haar te grote paardenpyjama schudde mee. ‘Ik ben gewoon ziek.’

Ik weet dat we samen Cow & Chicken hebben gekeken (was dat niet het beste van ziek zijn?! De hele dag Cartoon Network), tot ik weer weg moest. Maar niet voordat ik een extra trui had aangetrokken, want het was die dag koud. En die middag werd het ook niet warmer.

 

Over de auteur

Ik eet geen rode dingen.

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.